ijLKluwer
a Wolters Kluwer business
Nummer 3. MAART 200!
OP
lOUil
TIJDSCHRIFT VOOR BELEID
O LI Tl E K
gemeentelijke dienstverlening
20626-3_OB 0308.indd C1
19-02-2008 14:13:04
De mens is een dolende ziel, voor eeuwig
gevangen in de kringen van de hel,
schreef de Franse romancier Albert
Camus. Alles wat een mens tegenover zijn
eigen vergeefsheid probeert te stellen, is
hypocriet, zelfzuchtig en vergeefs. Zo som-
ber hoeft u niet te zijn, vooral niet omdat
we elke maand uw bestuurlijke rugzakje
met wijsheid en goede raad vullen, zoals
nu over het loket waar we met z'n allen
straks terecht kunnen, eindelijk de hele
overheid om de hoek, kunnen ze de rest
afschaffen. Maar toch - daar steekt de
somberte weer de kop op - ook al lijkt in
deze zelfzuchtige tijd een agressieloket
met vastgeschroefde tafels en stoelen
voor de lastige en onhandelbare burger
meer op z'n plaats, een loket van dienst-
betoon, tolerantie en handhaving is toch
te prefereren, in deze Openbaar bestuur,
uw intellectuele loket.
Hoofdredacteur
Debutanten op het
Binnenhof 19
Drs. A.S. Bos & drs. C.J.M. Brand
Koekoek op de barricaden
Column
Drs. M.PA. van Dam
Beleidsonzin
Ongewoon bestuur
Drs. B.F. Steur
De Kamper Steur
26
Zonder last of ruggespraak 30
Drs. T. Noldus
Een vleugje parfum
35
Het verbeteren van de gemeentelijke dienstverlening
Drs. H. Duinkerken en drs. P.B.H. Janssen
In 2015 willen gemeenten gezamenlijk als één loket voor de overheid
fungeren. Het versterken van het loket van de eigen gemeente is de
eerste fase van een operatie met veel hindernissen.
Rechtsstaat zonder zelfkritisch en zelfreinigend vermogen 8
S. van Oest
Waar politieke, bestuurlijke en ambtelijke gezagsdragers hun bevoegd-
heden misbruiken, wordt de rechtsstaat bedreigd. De zaak Spijkers.
Gemeenteraadsleden en eigen belang 20
Prof. dr.J.H.J. van den Heuvel, M. van Hugten, A. de Rooij en W. van Straaten
In 2007 publiceerde de Rekenkamer Stadsdelen Amsterdam een onder-
zoek naar mogelijke belangenverstrengeling van gemeenteraadsleden
van de deelraad Zuidoost. Hoe zit dat bij de andere deelraden?
Mogelijkheden beleidsdoorlichting beperkt benut 27
Dr. P.K Pestman en drs. A. van Wijk
Departementen hebben ruim eenjaar ervaring met het instrument
beleidsdoorlichting. Wat is de kwaliteit van de uitgevoerde doorlich-
tingen?
De professie van de overheidsstrateeg 31
Prof. dr. M.J.W. van Twist, drs. R. Peeters en drs. MA. van der Steen
Strategievorming bij de overheid is een proces dat met spanningen is
omgeven. Zij zijn niet weg te organiseren, maar juist een essentieel
onderdeel van het werk van de overheidsstrateeg.
Voorkeursbeleid: een Nederlands scenario
Dr. F. de Zwart
De Nederlandse overheid denkt zich aan de onbedoelde gevolgen van
positieve discriminatie te kunnen onttrekken door een aantal 'waar-
borgen' in te bouwen. Hoe pakt dat uit?
Boeken
36
J L
Openbaar bestuur interactief! Wilt u reageren, klik dan: ob@kluwer.nl.
38
Openbaar bestuur, Tijdschrift voor beleid, organisatie en politiek, Jaargang 18, Nummer 3, maart 2008. Verschijnt 11 maal per jaar. Hoofdredacteur
Prof. dr. J.H.J. van den Heuvel Redactie Dr. PCastenmiller Eindredacteur R.H. Roeien Uitgever Marjolijn Voogel Redactiesecretaris Josien Beele Redac-
tieadres Kluwer bv, t.a.v. J. Beele, Postbus 4, 2400 MA Alphen aan den Rijn, Telefoon (0172) 46 64 05, Fax (0172) 46 65 77, E-mail: jbeele@kluwer.nl.
Richtlijnen voor auteurs kunnen worden opgevraagd bij de redactiesecretaris. Alle artikelen in dit tijdschrift zijn op persoonlijke titel geschreven Advertenties
Jan-Willem Hulst, telefoon 0172-466 603, fax 0172-466 639, E-mail: advertenties-bb@kluwer.nl Abonnementen € 162- per jaar; studenten € 81,-. Telefoon
(0570) 67 33 44, E-mail: info@kluwer.nl. Abonnementen kunnen schriftelijk tot uiterlijk 3 maanden voor het einde van de abonnementsperiode worden opge-
zegd. Bij niet-tijdig opzeggen wordt het abonnement automatisch met een jaar verlengd. Kluwer BV legt de gegevens van abonnees vast voor de uitvoering
van de (abonnements-) overeenkomst. De gegevens kunnen door Kluwer, of zorgvuldig geselecteerde derden, worden gebruikt om u te informeren over rele-
vante producten en diensten. Indien u hier bezwaar tegen heeft, kunt u contact met ons opnemen. Op al onze aanbiedingen en overeenkomsten zijn van toe-
passing de Algemene Voorwaarden van Kluwer B.V., gedeponeerd ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam op 6 januari 2003 onder depotnummer 3/2003.
Een exemplaar van deze voorwaarden zal op eerste verzoek gratis worden toegezonden.
Basisvormgeving (M/V) ontwerp, www.mv-ontwerp.nl Opmaak VerheulCommunicatie.com Alphen aan den Rijn.
ISSN 0925-7322
20626-3_OB 0308.indd B1
19-02-2008 14:1 3 :C
Rechtsstaat zonder zelfkritisch en
zelfreinigend vermogen
Wetenschappers, advocaten en leden van de Hoge Raad waarschuwden onlangs tegen uitholling van de
rechtsstaat, onder meer wegens de antiterrorismewetgeving. 2 Waar politieke, bestuurlijke en ambtelijke
gezagsdragers hun bevoegdheden misbruiken, wordt de rechtsstaat op een andere manier bedreigd. Dat is
het geval in de zaak Spijkers. Hij weigerde een immorele opdracht uit te voeren en hij ondervond daarvan
sindsdien gevolgen.
De kafkaëske lotgevallen van Spijkers zijn ver-
bonden met ongelukken met AP-23 landmij-
nen op 18 juli 1983 en 14 september 1984. Bij het
eerste ongeval kwamen zeven dienstplichtige mili-
tairen om het leven en raakten negen zwaar ge-
wond doordat in een leslokaal van Defensie een
mijn ontplofte. Het tweede ongeval vond plaats bij
een proefneming met de AP-23 landmijn. Daarbij
werd Ovaa, een burger in dienst bij Defensie, ge-
dood.
Dat Defensie die opdracht aan Spijkers gaf,
is door Defensie ontkend en bevestigd
Spijkers, bedrijfsmaatschappelijk werker bij Defen-
sie, kreeg op de dag van het ongeval in 1984 een
dienstopdracht om weduwe Ovaa-Van den Broek
te bezoeken en te vertellen dat Ovaa door eigen
onvoorzichtigheid was omgekomen, terwijl de toe-
dracht van het ongeval nog niet was onderzocht.
Dat Defensie die opdracht aan Spijkers gaf, is door
[1] Sokje van Oest is de nom de plume voor de auteurs van dit artikel, studenten die in het kader
van het vak Beroepsethiek aan de faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amster-
dam met dr. mr. J. van der Vliet de zaak Spijkers onderzochten: Martijn Anneveld, Bo Bouw, Stepha-
nie Brown, Ernst Dijxhoorn, Debbie van Hulsen, Robert Koning, Kim Koops, Annebel van Meegen,
Melike Sagdinc, Lyn Tjon Soei Len en Olivier Woerde. Sokje is een referentie in bescheidenheid aan
Socrates en Van Oest verwijst naar een historisch slachtoffer van maatschappelijk en juridisch
onrecht.
[2] G.J.M. Corstens, Dijkdoorbraken in de strafrechtspleging, NJB 2005, p. 289. Interview met mr. I.
Weski, Intermediair, 14 december 2006. Rede van senator dr. B. Böhler tijdens de behandeling van
het wetsvoorstel Wet politiegegevens door de Eerste Kamer, Handelingen I 2006/2007, 35, p.
1063-1065.
[3] Nationale ombudsman, rapport 1999/175, p. 224.
[4] Op. cit.,p. 287.
[5] Op. cit.,p. 257.
[6] Op. cit., p. 260.
[7] <http://www.ombudsman.nl/pdf/Behoorlijkheidswijzer.pdf>.
Defensie ontkend en bevestigd; ontkenning en be-
vestiging komen later in dit artikel aan de orde.
Formeel beschouwd voerde Spijkers de opdracht
uit, maar hij maakte Ovaa-Van den Broek duidelijk
dat hij het met dat standpunt niet eens was: een
gewetensvolle weigering van een opdracht wegens
het onrecht dat zij impliceert. 3 Door Spijkers' inzet
nadien verhinderde hij dat de zaak in de doofpot
ging. Hij dwong de minister van Defensie uiteinde-
lijk in 1997 tot erkenning van aansprakelijkheid
van Defensie voor de dood van Ovaa. 4 De Nationale
ombudsman toonde in 1999 inderdaad aan dat het
ministerie van Defensie al in 1970 wist dat het ont-
stekingsmechanisme van de AP-23 landmijn een le-
vensgevaarlijke ontwerpfout bevatte. 5 Waren in
1970 adequate maatregelen getroffen, dan waren
de ongevallen in 1983 en 1984 niet gebeurd, aldus
de Ombudsman. 6
Spijkers' leven werd verwoest door toedoen van po-
litieke, bestuurlijke, rechterlijke en ambtelijke ge-
zagsdragers namens de Nederlandse staat. We re-
construeren het optreden van sommige van die
gezagsdragers op grond van documenten en toet-
sen het aan rechtsstatelijke eisen waaraan zij zijn
gebonden, zoals verwoord in de Behoorlijkheidwij-
zer 7 van de ombudsman. Het werkelijke aantal ge-
zagsdragers dat bij de zaak was betrokken en het
aantal relevante beslissingen en handelingen was
een veelvoud. De auteurs hebben overwogen
slechts rollen te noemen en geen namen van dege-
nen die ze vervulden. Wegens de reeds verschenen
publicaties over de zaak zou anonimisering beteke-
nisloos zijn. Dat neemt niet weg dat jegens de be-
trokkenen de grootst mogelijke zorgvuldigheid
past. Daarom zijn de normen, gesteld in de juris-
prudentie van HR en EHRM, strikt in acht geno-
men. Daarbij is van belang dat het publieke rollen
OPENBAAR BESTUUR MAART 2008
20626-3_OB 0308.indd B8
19-02-2008 14:13:11
betreft en dat het algemeen belang van rechtvaar-
digheid en rechtsstaat in het geding is. De vaststel-
ling en de interpretatie van feiten en de evaluatie
zijn vanzelfsprekend voor discussie vatbaar. In ge-
val van gerede twijfel bleven beslissingen en gedra-
gingen onbesproken. Voor het overige moet het ar-
tikel worden gelezen onder het voorteken van de
clausule "Indien ... het geval is, dan ... ", omdat vol-
strekte zekerheid niet is te verkrijgen.
Proces-verbaal P4/85
Het ongeval waarbij Ovaa omkwam, deed zich tij-
dens een proefneming met een AP-23 landmijn
voor. De mijn die Ovaa fataal zou worden, ging in
eerste instantie niet af. 8 Conform het geldende al-
gemene veiligheidsvoorschrift wachtte Ovaa vijf
minuten - de zogeheten vertragingstijd - en na-
derde de mijn omzichtig om die op veilig te zet-
ten. 9 Toen Ovaa bij de mijn hurkte, ontplofte deze.
Blijkens het rapport van de ombudsman uit 1999
had Defensie belang bij het afwijzen van aanspra-
kelijkheid voor het ongeval. Daarom was voor De-
fensie de belangrijkste conclusie uit het Mare-
chausseeonderzoek door luitenant-kolonel Fabius
en opperwachtmeester Martens in proces-verbaal
P4/85, dat Ovaa onvoorzichtig had gehandeld.
Ovaa handelde 'naar eigen goeddunken', volgde
'op onverklaarbare wijze zijn eigen veiligheidspro-
cedure' en 'conformeerde [zich niet] aan het ge-
bruikelijke veiligheidsgedrag'. 10 Deze passages uit
het proces-verbaal boden steun aan het standpunt
van het ministerie: Ovaa had zijn dood aan zich-
zelf te wijten. 11 De Nationale ombudsman maakte
in zijn rapport melding van een informele, afwij-
kende procedure doch onderzocht die niet, omdat
hij het onjuist achtte dat die niet was vastgelegd
in de interne order Munitieveiligheid van de Com-
missie van Proefnemingen van MBA-1. Daarom had
het meer voor de hand gelegen het gedrag van
Ovaa te beoordelen aan de hand van de veiligheids-
procedure die wel schriftelijk was vastgelegd.
Dat in het ontstekingsmechanisme van de mijn
een levensgevaarlijke ontwerpfout school, was
slechts indirect uit het proces-verbaal af te lei-
den. 12 De geschiedenis van de mijn kwam wel op
verschillende plaatsen aan de orde, maar de duide-
lijkste verwoording van de ontwerpfout in de eind-
conclusie luidde: 'De ontsteker van de mijn mor-
tier AP-23 LOT AI 68-2 wordt niet gemodificeerd
en is in zijn oude vorm thans nog in de bewape-
ning.' 13 Opmerkelijk is dat Defensie een kopie van
het proces-verbaal naar het ABP stuurde, maar
daaruit wegliet de passage waaruit de ontwerpfout
is af te leiden. In de kopie staat dus slechts de door
de Marechaussee gereconstrueerde voorstelling
van het handelen van Ovaa. Het ABP stuurde deze
kopie naar het ministerie van Financiën; op grond
daarvan stelde dit ministerie - niet verwonderlijk
- dat het ABP geen regresvordering had voor het
nabestaandenpensioen van Ovaa-Van den Broek.
Defensie was immers volgens deze bloemlezing uit
het proces-verbaal niet voor de dood van Ovaa aan-
sprakelijk.
Wegens de reeds verschenen
publicaties over de zaak zou anonimisering
betekenisloos zijn
P4/85 legde een zekere nadruk op verwijten aan
Ovaa, gebaseerd op verklaringen over 'ongeschre-
ven veiligheidsprocedures'. Waarschuwingen over
hoe te handelen in geval van een 'weigeraar' wer-
den volgens het proces-verbaal en volgens hun ver-
klaring aan Ovaa gegeven door Andriessen, Trauer-
bach en Schelling. Juister was geweest het gedrag
van Ovaa aan de destijds geldende schriftelijke vei-
ligheidsinstructie te toetsen. Die toets wees niet
uit dat Ovaa 'naar eigen goeddunken' handelde,
doch dat Ovaa precies handelde volgens de gelden-
Juister was geweest het gedrag van
Ovaa aan de destijds geldende schriftelijke
veiligheidsinstructie te toetsen
de veiligheidsprocedure. 14 Munitie-expert kolonel
Margherita concludeerde (naar verluidt op basis
van bestudering van video-opnamen van het onge-
val) dat Ovaa de veiligheidsprocedure secuur had
gevolgd en 'zo voortreffelijk en bedachtzaam [had]
gewerkt als maar (...) mogelijk [was]'. 15 Hij merkte
weliswaar ook op dat men Ovaa een ander vaktech-
nisch oordeel had gegund, maar die formulering
verwijst naar de tragische afloop van de proefne-
ming en niet naar verkeerd optreden van Ovaa.
Margherita noemde nadien het proces-verbaal sug-
gestief en in sommige opzichten tendentieus. 15 De
verwijten aan Ovaa in het proces-verbaal waren, zo
beschouwd onjuist, werden niet gedragen door het
onderzoek en gaven steun aan het standpunt van
Defensie dat Ovaa door eigen onvoorzichtigheid
was gestorven. Fabius en Martens hebben daardoor
beginselen van formele behoorlijkheid geschon-
den en hun plicht tot onpartijdige waarheidsvin-
ding verzaakt (art. 6 Politiewet). Indien zij opzette-
lijk handelden, schonden zij tevens beginselen van
[8] Op. cit., p. 61.
[9] Op. cit., p. 273.
[10] Proces-verbaal P4/85,
p. 16.
[11] Nationale ombudsman,
rapport 1999/175, p. 275.
[12] Op. cit. p. 171.
[13] Proces-verbaal P4/85,
p. 15.
[14] Aldus ook de Nationale
Ombudsman, rapport
1999/175, p. 273.
[15] Nationale ombudsman,
rapport 1999/175, p.
64-65.
[16] Op. cit. p. 102.
OPENBAAR BESTUUR MAART 2008
20626-3_OB 0308.indd B9
19-02-2008 14:13:11
materiële behoorlijkheid en pleegden zij boven-
dien een ambts mis draging en misschien zelfs vals-
heid in geschrifte. Dergelijk opzet is echter niet
aantoonbaar.
Bunnik schond criteria van behoorlijkheid
door voorbarig en herhaaldelijk te beweren
dat Defensie niet aansprakelijk was
Ovaa-Van den Broek kreeg ten lange leste in 1989
inzage in een gedeelte van P4/85, al moest zij die
inzage via een WOB-verzoek afdwingen. 17 In de
woorden van de ombudsman: '[Het trekt] de aan-
dacht dat het Ministerie de weduwe zeer langdurig
heeft gedwarsboomd in haar pogingen om kennis
te nemen van alle stukken die op het ongeval be-
trekking hebben.' Fabius gaf toelichting, omdat de
commandant van de Marechaussee in een notitie
had geadviseerd door de verbalisanten uitleg te la-
ten geven, onder meer omdat anders uit 'P4/85
mogelijk de indruk zou kunnen gaan ontstaan dat
Ovaa onverstandig zou hebben gehandeld].]' 18 De
passage impliceert dat die indruk volgens de com-
Een oorspronkelijk niet-medisch
probleem (te weten een verstoorde
arbeidsverhouding) werd door RBB en
Defensie gemedicaliseerd
mandant onjuist zou zijn. Volgens het rapport van
de Ombudsman is aannemelijk dat Fabius precies
die indruk bij Ovaa-Van den Broek heeft gewekt
door te zeggen dat haar man (mede) door eigen
onvoorzichtigheid om het leven was gekomen. 19
Bunnik
Proces-verbaal P4/85 was de inleiding tot de weder-
waardigheden tussen Ovaa-Van den Broek en Spij-
[17] Op. cit. p. 286.
[18] Op. cit. p. 174. De commandant overwoog tevens dat uitleg was vereist wegens de complexi-
teit van de materie en omdat de indruk zou kunnen ontstaan dat Defensie gegevens over het optre-
den van Ovaa achterhield.
[19] Op. cit. p. 224, p. 277.
[20] Op. cit. p. 274-275.
[21] Brief minister dr. ir. J.J.C. Voorhoeve, 15 november 1996 aan Ovaa-Van den Broek.
[22] Ministerie reageert verkrampt op dossier Spijkers, NRC Handelsblad, 12 juli 1997. De ombuds-
man kwam tot de conclusie dat hij niet kon vaststellen dat de opdracht was gegeven, schriftelijk
bewijs ontbreekt. Nationale ombudsman, rapport 1999/175, p. 275-276.
[23] Art. 225 en 365 Sr.
kers enerzijds en Defensie anderzijds. Gezagsdra-
gers hebben namens Defensie ruim twaalf jaar van
het proces-verbaal gebruik gemaakt, dat stelde dat
Ovaa zijn dood (mede) aan zichzelf te wijten had,
om politieke, civielrechtelijke en strafrechtelijke
aansprakelijkheid voor de dood van Ovaa te ontwij-
ken, een standpunt dat zij volgens de ombudsman
in redelijkheid niet konden innemen. 20
Defensie wees bij herhaling en expliciet alle aan-
sprakelijkheid af, onder anderen bij monde van
plaatsvervangend directeur burgerpersoneel Bun-
nik en van minister Voorhoeve. 21 Bunnik was een
van de hoogste superieuren van zowel Ovaa als
Spijkers. In die lijn paste de dienstopdracht (onder
verantwoordelijkheid) van Bunnik aan Spijkers om
mevrouw Ovaa-Van den Broek onwaarheid te ver-
tellen. Een woordvoerder van Defensie bevestigde
in 1997 tegenover NRC Handelsblad dat die opdracht
aan Spijkers was gegeven. 22 De aangevoerde reden
is, zoals NRC Handelsblad concludeert, zacht gezegd
niet aannemelijk: de woordvoerder deelde mee dat
Spijkers de opdracht (op 14 september 1984) kreeg
naar aanleidingvan proces-verbaal P4/85, geda-
teerd 12 april 1985.
Bunnik schond criteria van behoorlijkheid (wel-
licht via de opdracht aan Spijkers, maar in elk ge-
val) door voorbarig en herhaaldelijk te beweren
dat Defensie niet aansprakelijk was. Hij heeft al
dan niet opzettelijk de feiten tegenover de nabe-
staanden van Ovaa verdraaid, valse verklaringen
afgelegd en, indien hij dit opzettelijk deed, heeft
hij zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrif-
te en aan misbruik van bevoegdheden door Ovaa-
Van den Broek op het verkeerde been te zetten. 23
Bovendien schond hij het criterium van redelijk-
heid. Hij moest alle relevante feiten en omstandig-
heden vergaren, de betrokken belangen wegen en
tot een redelijke uitkomst komen. Volgens het be-
ginsel van evenredigheid moest hij daarbij reke-
ning houden met mogelijke gevolgen voor betrok-
kenen. Volgens het beginsel van rechtszekerheid
mocht hij gerechtvaardigde verwachtingen niet
beschamen. De uitkomst van zijn weging voor en
na het verschijnen van het proces-verbaal was ech-
ter onredelijk. Voordien, omdat het ontbrak aan
een feitelijke grondslag voor de ontkenning van
aansprakelijkheid. Nadien, omdat zorgvuldige le-
zing van het proces-verbaal en bijlagen, gepaard
met de kennis die Bunnik had of behoorde te heb-
ben, niet tot de ontkenning van aansprakelijkheid
kon leiden. Bunnik heeft daarom verzuimd gelijke
zorg en respect te betrachten en de rechten van de
nabestaanden van Ovaa en van Spijkers geschaad
door ongefundeerde beweringen en onwaarheden
10
OPENBAAR BESTUUR MAART 2008
20626-3_OB 0308Jndd B10
19-02-2008 14:13:11
te verkondigen. Zodoende heeft hij ook de beginse-
len van formele behoorlijkheid geschonden. Al
met al schond Bunnik ook het beginsel van profes-
sionaliteit volgens de standaard van zijn beroeps-
groep.
RBB-artsen
Spijkers weigerde genoemde dienstopdracht en
stond de nabestaanden van Ovaa bij. Defensie be-
sloot (daarom) in 1987 Spijkers uit zijn functie te
ontheffen. Dit besluit werd echter in 1991 door de
Centrale Raad van Beroep vernietigd. 24
In die periode werd Spijkers door bedrijfsartsen
van de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveilig-
heidsdienst (RBB) begeleid. Zij deden echter meer
dan louter begeleiden, zij achtten Spijkers onge-
schikt om zijn werk te hervatten en kwamen tot
een oordeel over de psychische gesteldheid van
Spijkers zonder hem te hebben gesproken. Zij oor-
deelden zodoende buiten hun competentie. 25 Gere-
nommeerde psychiaters verklaarden dat Spijkers
in psychische zin niets mankeerde en dat hij dus
niet arbeidsongeschikt was. 25 De RBB-artsen ver-
draaiden die verklaringen.
Deze verdraaiingen werden aan een onderzoeks-
commissie voorgelegd. Spijkers werd naar die com-
missie verwezen na vernietiging van het besluit
tot ontheffing door de Centrale Raad van beroep
in 1991. Deze commissie, samengesteld uit RBB-art-
sen, stelde dat Spijkers zich nog eens aan een psy-
chiatrisch onderzoek moest onderwerpen. Psychia-
ter Keilson onderzocht Spijkers en concludeerde
dat hij niet leed aan enig psychiatrisch gebrek en
niet arbeidsongeschikt was. 27 Hij oordeelde dat
een oorspronkelijk niet-medisch probleem (te we-
ten een verstoorde arbeidsverhouding) door RBB
en Defensie werd gemedicaliseerd.
De uitkomst van dit psychiatrisch onderzoek werd
eveneens verdraaid, nu door de onderzoekscom-
missie. Zij beweerde dat Keilson had vastgesteld
dat Spijkers leed aan ziekte of gebrek en daarom
arbeidsongeschikt was. 28
Crombag schreef over het optreden van de RBB: 'Er
is geen twijfel over mogelijk dat het ministerie van
Defensie probeert om aan een arbeidsconflict met
u [Spijkers] een einde te maken door u psychia-
trisch ziek te doen verklaren. De met dat doel ge-
raadpleegde externe psychiatrische deskundigen
[die de genoemde second opinions opstelden] hebben
- en dat strekt hen tot eer - aan deze ontoelaatba-
re manoeuvre geen medewerking gegeven. Anders
lag dat voor [de RBB-artsen], die er blijkbaar geen
been in zagen om met hun medische verantwoor-
delijkheid de hand te lichten. De verdraaiing van
in de psychiatrische rapportages vermelde conclu-
sies is zo flagrant, dat goede trouw uitgesloten
kan worden. Als er iemand of iets ziek is, dan is
het de organisatie die zulk een gang van zaken
duldt of zelfs instigeert.' 29 Bovens verklaarde: 'De-
fensie heeft u bewust willen marginaliseren door
u als "psychiatrisch geval" af te schilderen.'
Spijkers' gerechtvaardigde
verwachtingen werden beschaamd; de
commissie schond daarom ook het
beginsel van rechtszekerheid
De RBB-artsen en de onderzoekscommissie mis-
bruikten hun bevoegdheden en schonden begin-
selen van materiële behoorlijkheid door second
opinions te verdraaien. Zij pleegden valsheid in
geschrifte, indien zij dat opzettelijk deden. Ook de
onderzoekscommissie misbruikte haar bevoegdhe-
den. Zij velde immers een zelfstandig oordeel over
de arbeidsgeschiktheid van Spijkers zonder hem te
hebben onderzocht. Bovendien schond zij het
beginsel van redelijkheid, want zij vergaarde niet
alle relevante feiten en omstandigheden ter we-
ging, in aanmerking genomen de belangen die in
het geding waren. De RBB-artsen en de onder-
zoekscommissie hebben de schijn van partijdig-
heid gewekt en dus het beginsel van onpartijdig-
heid geschonden.
De RBB-artsen schonden het beginsel van professi-
onaliteit door zonder medische grond en buiten
hun competentie in dossiers aan te tekenen dat
Spijkers in psychiatrische zin ziek was en schon-
den a fortiori hun beroepseed. 30 Als 'ambtenaren
met een bijzondere training of opleiding' dienen
zij uit hoofde van de Behoorlijkheidswijzer im-
mers te handelen volgens de standaard van hun
beroepsgroep.
De beslissing van de onderzoekcommissie was
slecht gemotiveerd, want gebaseerd op de verdraai-
ing van de second opinions en op het ongefundeerde
eigen oordeel van de commissie dat Spijkers aan
ziekte of gebrek leed. De beslissing werd dus niet
feitelijk en logisch door een kenbare motivering
gedragen, die een deugdelijke redenering behelst
op grond van feiten en van weging van belangen.
Spijkers' gerechtvaardigde verwachtingen werden
beschaamd; de commissie schond daarom ook het
beginsel van rechtszekerheid. Tevens schond zij
het beginsel van fair play waar zij Spijkers de kans
ontnam zijn standpunt over de verdraaiing van de
second opinions te verdedigen.
[24] CRvB 31 januari 1991,
rolnr. AW1988/653.
[25] Rapport De zaak Fred
Spijkers, Geneva Initiative on
Psychiatry, p. 7-8.
[26] Rapport De zaak Fred
Spijkers, Geneva Initiative on
Psychiatry, p. 14. Brief prof.
dr. F.H.L. Beyaert aan Gene-
va Initiative on Psychiatry,
24 oktober 1997.
[27] Brief dr. H. Keilson aan
de RBB, 24 oktober 1991.
[28] Brief commissiesecre-
taris Pvan den Heuvel aan
het ministerie van Defensie,
12 juni 1992.
[29] Brief prof.dr. H.F.M.
Crombag aan Spijkers, 21
april 1993. Verklaring prof.
dr. H.M. Dupuis in brief 1
juni 1993, verklaring prof.dr.
Van Wijmen in brief aan Spij-
kers, 24 mei 1993, verkla-
ring dr. J. Reinders in brief
aan Spijkers, 10 mei 1993
en verklaring dr.mr. M.A.P
Bovens in brief aan Spijkers,
2 maart 1994.
[30] Behoorlijkheidwijzer
<http://www.ombudsman .
nl/pdf/Behoorlijkheidswijzer.
pdf>, p. 6.
OPENBAAR BESTUUR MAART 2008
11
20626-3_OB 0308.indd B11
19-02-2008 14:13:11
Landsadvocaat bij Medisch Tuchtcollege
Het Medisch Tuchtcollege gaf de RB B-artsen in
1992 een officiële waarschuwing wegens hun han-
delen ten opzichte van Spijkers. De Landsadvocaat
ging namens de artsen tegen die beslissing in be-
roep. De waarschuwing werd teruggedraaid.
De Landsadvocaat kende de merites van de zaak en
van het optreden van zijn cliënten (de RBB-artsen),
althans behoorde die te kennen. De Landsadvocaat
De Landsadvocaat heeft het beginsel van
redelijkheid geschonden door onzorgvuldige
weging van belangen
wist of kon weten van de valsheid in geschrifte,
van het misbruik van bevoegdheden en van het
overschrijden van hun competentie door de RBB-
artsen en de commissie en behoorde daarnaar te
handelen. Een advocaat moet immers nagaan of
het standpunt dat hij verdedigt klopt, althans hij
mag geen onwaarheden verkondigen en hij mag
de rechten van derden niet schenden. Daar de
Landsadvocaat de staat vertegenwoordigt, heeft hij
een gekwalificeerde verantwoordelijkheid en moet
hij de standpunten en belangen van zijn cliënten
aan rechtsstatelijke maatstaven toetsen. Deson-
danks verdedigde hij het handelen van de RBB-
Overigens is de bewering van de landelijk
officier dat Spijkers geen nadeel onder-
vond, vanzelfsprekend feitelijk onjuist
artsen in de beroepszaak en schetste hij nadien in
hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep in
de ontslagzaak namens Defensie een beeld van
Spijkers als psychiatrisch patiënt. 31
[31] Defensie weigert eer-
herstel oud-werknemer, de
Volkskrant, 5 september
1997, p. 8.
[32] Hof 's-Gravenhage, pro-
ces-verbaal verhoor in raad-
kamer, 20 oktober 1999.
[33] G.J.M. Corstens, Het
Nederlands strafprocesrecht,
Deventer (1993) 1999, p.
52.
[34] Corstens 1999, p. 683.
[35] Hof 's-Gravenhage, pro-
ces-verbaal verhoor in raad-
kamer, 20 oktober 1999.
De Landsadvocaat heeft het beginsel van redelijk-
heid geschonden door onzorgvuldige weging van
belangen. Hij heeft niet alle relevante feiten en
omstandigheden vergaard, de rechten en belangen
van Spijkers niet evenredig gewogen en hij kwam
niet tot een redelijke uitkomst. Hij schond het
rechtszekerheidsbeginsel, omdat Spijkers mocht
verwachten dat de Landsadvocaat geen onwaarhe-
den zou verkondigen. Hij heeft het gelijkheidsbe-
ginsel geschonden door niet gelijke zorg en res-
pect voor de rechten en de belangen van Spijkers
te hebben.
Officier van justitie
Mensenrechtenorganisatie Geneva Initiative on
Psychiatry (GIP) onderzocht het optreden van de
RBB en op haar advies werd in 1996 bij de landelij-
ke officier van justitie in Den Haag aangifte ge-
daan van valsheid in geschrifte en systematische
geestelijke mishandeling van Spijkers door Defen-
sie en door RBB-artsen. De Rijksrecherche onder-
zocht de zaak. De officier van justitie ging echter
niet tot vervolging over, omdat Spijkers 'geen na-
deel heeft ondervonden [van een] uitermate kwa-
lijk feit [...] waarvoor vervolging zeker tot de moge-
lijkheden behoort'. 32
De landelijk officier mocht echter slechts afzien
van vervolging op grond van het algemene belang,
indien de vervolging geen prioriteit had (wegens
schaarste van middelen) en, indien een veroorde-
ling niet haalbaar was. 33 Of Spijkers nadeel heeft
ondervonden, doet niet ter zake voor de vervol-
gingsbeslissing; dat is slechts voor de straftoeme-
ting van belang. 34 Overigens is de bewering van de
landelijk officier dat Spijkers geen nadeel onder-
vond, vanzelfsprekend feitelijk onjuist.
Een officier moet staan voor de rechtsstaat. De lan-
delijke officier deed dat niet en schond zodoende
het beginsel van materiële behoorlijkheid. Hij ge-
bruikte zijn bevoegdheden tot een ander doel dan
waartoe die zijn gegeven door op oneigenlijke
gronden en in strijd met de eisen van de rechts-
staat tot niet-vervolging te beslissen. Dat weegt des
te zwaarder, omdat hier volgens het oordeel van
de officier sprake was van strafbare gedragingen
door overheidsdienaren.
De beslissing tot niet-vervolging streed, op dezelf-
de gronden, met het beginsel van redelijkheid. Ge-
zien de in het geding zijnde (rechtsstatelijke) be-
langen kon een weging niet in redelijkheid leiden
tot de beslissing niet te vervolgen. Hij schond zo-
doende ook het rechtszekerheidsbeginsel: burgers
mogen verwachten dat een officier een dergelijke
zaak juist wel vervolgt. De officier heeft daarom
ook het beginsel van professionaliteit geschonden.
Het Hof
Spijkers vorderde in 1999 bij het Gerechtshof Den
Haag dat de officier van justitie alsnog vervolging
zou instellen. 35 Het Hof vond dat er zeker redenen
waren om vervolging in te stellen en kwalificeerde
het optreden van de artsen - verdedigd door de
Landsadvocaat - als vatbaar voor strafrechtelijke
vervolging. Het Hof schorste echter het strafrechte-
lijk onderzoek, omdat Spijkers met Defensie in
onderhandeling was. Het Hof liet dus de civiel-
rechtelijke kwestie tussen klager (Spijkers) en De-
12
OPENBAAR BESTUUR MAART 2008
20626-3_OB 0308.indd B12
19-02-2008 14:13:12
fensie in de beslissing over een opdracht tot vervol-
ging meewegen. Die doet echter strafrechtelijk
beschouwd niet ter zake.
Het Hof schond met deze beslissing behoorlijk-
heidmaatstaven die milder zijn dan de eisen aan
de rechter: het schond het motiveringsbeginsel en
het beginsel van onpartijdigheid. Het wekte ten-
minste de schijn van partijdigheid door een ver-
keerde motivering voor een verkeerde beslissing in
het voordeel van overheidsdienaren die met vervol-
ging werden bedreigd. Het Hof miskende het
rechtsstatelijke belang van de zaak.
Vermeulen
Wegens een overweging ten overvloede in het ar-
rest van de CRvB uit 1991 over de ontheffing uit
zijn functie, diende Spijkers een herzieningsver-
zoek in. De overweging ten overvloede was dat
Spijkers door zijn optreden de vervulling van zijn
functie ernstig had bemoeilijkt. De Centrale Raad
van Beroep besliste in 1993 dat hij de overweging
inderdaad ten onrechte (misleid door de RBB-art-
sen) had opgenomen, maar wees het verzoek tot
herziening af. 36 De uitspraak uit 1991 bleef in
stand; het ontheffingsbesluit was vernietigd.
Defensie ontsloeg Spijkers vervolgens per 1 okto-
ber 1993. Spijkers ging in beroep en de ontslag-
zaak eindigde in 1997 bij de Centrale Raad van Be-
roep met een beslissing in het nadeel van Spijkers.
Voorzitter van de meervoudige kamer in hoogste
instantie was vice-president mr. Vermeulen. 37 Ver-
meulen was eertijds ambtenaar bij het directoraat-
generaal voor Overheidspersoneelsbeleid van het
ministerie van Binnenlandse Zaken, dat het ont-
slag van burgers in dienst van de rijksoverheid be-
handelde. De RBB ressorteerde onder hem. 38 Zijn
afdeling had bemoeienis met de zaak Spijkers. Een
ondergeschikte van Vermeulen voerde gesprekken
over de zaak met de advocaat van Spijkers. 39 Ver-
meulen was dus als ambtenaar bij de zaak Spijkers
betrokken geweest. 40 Journalisten kwamen dit feit
op het spoor door wat zij noemden 'partijdig op-
treden' van Vermeulen bij getuigenverhoren. 41
Rechter Vermeulen had een verschoningsplicht.
Hij diende zich actief af te vragen of een procespar-
tij redelijke twijfel over zijn onpartijdigheid zou
kunnen koesteren en zijn uitspraak in verband
kon brengen met zijn ogenschijnlijke partijdig-
heid, ongeacht de feitelijke gegrondheid van die
twijfel, wegens het rechtsstatelijke belang van on-
partijdige rechtspraak. Vermeulen schond zijn
plicht tot verschoning en daarmee de eis van on-
partijdigheid. Dat weegt des te zwaarder, omdat
getuigen en toehoorders zijn optreden ter zitting
grof en partijdig vonden, nog voor zij wisten dat
hij eerder bij de zaak Spijkers in een andere func-
tie was betrokken. Vermeulen wekte zodoende de
indruk zijn functie als rechter te gebruiken om af-
Het Hof schorste het strafrechtelijk
onderzoek, omdat Spijkers met Defensie
in onderhandeling was
doening van de zaak Spijkers conform de wensen
van Defensie te realiseren. Crombag schreef over
'de onmiskenbare partijdigheid van het arrest'.
Vermeulen schond zijn verschoningsplicht en de
eis van onpartijdigheid door een zaak te behande-
len waarbij hij via een vroegere werkkring was be-
trokken, ongeacht zijn toenmalige functie en het
tijdsverloop. Hetzelfde geldt voor zaken waarbij
collegae waren betrokken 42
Landsadvocaat
De ontslagprocedure kwam in 1997 voor de CRvB.
Daar kwam aan de orde dat Defensie aan Spijkers
een schikkingsvoorstel had gedaan. Senator Glas-
tra van Loon 43 en senator Vis 44 deden eerder een
bemiddelingspoging tussen Defensie en Spijkers.
In dat kader had staatssecretaris van Defensie
Gmelich Meijling aan Glastra van Loon gezegd
dat Spijkers recht op een schadevergoeding had en
bedragen genoemd, zo getuigde Glastra van Loon
voor de Raad.
Landsadvocaat De Groot ontkende ter zitting dat
de staatssecretaris zoiets had gezegd en dat er
sprake was (geweest) van onderhandelingen met
Spijkers. 45 Defensie sprak echter al in 1995 met
Spijkers' advocaat over schadevergoeding en eer-
herstel. 46 Eerder schreef staatssecretaris van Defen-
sie Frinking aan Glastra van Loon en Vis dat Defen-
sie spoedig met Spijkers zou spreken om een
definitieve oplossing voor de kwestie te bereiken. 47
Minister Voorhoeve schreef: 'De Landsadvocaat
heeft opdracht gekregen namens Defensie de on-
derhandelingen te voeren over de mogelijkheden
om tot een minnelijke regeling met de heer Spij-
kers te komen. Defensie heeft daartoe concrete
voorstellen gedaan, die in eerste aanleg in aanwe-
zigheid van de heer Spijkers zelf en de wederzijdse
advocaten en vervolgens in het overleg tussen de
wederzijdse advocaten zijn besproken.' Verder be-
richtte hij dat een 'schikkingsvoorstel van Defensie
[...] ook bekend [is] bij de Kamerleden Glastra van
Loon en Hoekema'. Beiden hebben in de zaak geïn-
tervenieerd, aldus de minister, en de onderhande-
[36] Rechtbank Den Haag 4
oktober 1993, rolnr. AW93/
839.
[37] CRvB 16 oktober 1997,
TAR 1997,231.
[38] Aanhangsel Handelin-
gen II 1998/99, nr. 1310.
[39] Aanhangsel Handelin-
gen II 1998/99, nr. 1310.
[40] Brief van Crombag, 17
juli 2007.
[41] H. Rijkers in Katholiek
Nieuwsblad, 24 oktober
1997.
[42] Leidraad onpartijdigheid
rechterlijke macht, aanbeve-
ling 7.
[43] Prof.mr.dr. J.F. Glastra
van Loon was lid van de Eer-
ste Kamer van 1980 tot
1999.
[44] Mr.J.J. Vis was lid van
de Eerste Kamer van 1980
tot 1995 en lid van de Raad
van State van 1995 tot
2003.
[45] Defensie weigert eer-
herstel oud-werknemer, de
Volkskrant, 5 september
1997, p. 8.
[46] Brief Bunnik aan mr.
Boone (advocaat van Spij-
kers), 8 maart 1995. Notitie
Bunnik aan directeur juridi-
sche zaken ministerie van
Defensie, 23 april 1997.
Brief van De Groot aan mr.
Leijendekker (advocaat van
Spijkers), 15 maart 1996.
Antwoord ministervan
Defensie Voorhoeve op
Kamervragen waarin dit
wordt bevestigd. Aanhangse-
len // 1996/97, nr. 1778.
[47] Brief staatssecretaris
Defensie Frinking aan Glas-
tra van Loon en Vis, 9 febru-
ari 1994.
OPENBAAR BESTUUR MAART 2008
13
20626-3_OB 0308.indd B13
19-02-2008 14:13:12
lingen werden inmiddels door de advocaten - de
Landsadvocaat namens Defensie - gevoerd. Hij be-
sloot met: 'Ik blijf van opvatting dat de pogingen
spoedig tot een oplossing te komen moeten wor-
den voortgezet.' 48
Vermeulen schond zijn plicht tot
verschoning en daarmee de eis van
onpartijdigheid
Landsadvocaat De Groot beweerde dat niet over
schadevergoeding en eerherstel was of werd onder-
handeld. Er was geen concreet voorstel. Naar aan-
leiding van het optreden van Landsadvocaat De
Groot schreef staatssecretaris Gmelich Meijling
echter aan Glastra van Loon dat hij wel degelijk
een 'niet krenterig voorstel tot schadevergoeding'
had gedaan. 49 Ter zitting verklaarde de Landsadvo-
caat echter dat Spijkers paranoïde was en fictie
niet van werkelijkheid kon scheiden: Spijkers had
mensen ernstig beschadigd en de zaak Ovaa louter
voor eigen belang gebruikt. Defensie had Spijkers
Ter zitting verklaarde de Landsadvocaat
dat Spijkers paranoïde was en fictie niet
van werkelijkheid kon scheiden
niet krankzinnig verklaard - Spijkers was krank-
zinnig, zo betoogde De Groot volgens de Volks-
krant. 50 Hij bestreed bovendien de getuigenverkla-
ring van Glastra van Loon, die hij typeerde als een
verwarde, oude man. Toen Glastra van Loon De
Groot wilde weerspreken, ontnam Vermeulen hem
het woord. Glastra van Loon was één van de getui-
gen die door Vermeulen grof werd bejegend. 51
Landsadvocaat De Groot heeft Spijkers ernstig
geschaad. Zijn betoog was onwaar en dat wist hij,
[48] Brief minister Defensie Voorhoeve aan drs. R. van Voren, 15 augustus.
[49] Brief staatssecretaris Gmelich Meijling aan Glastra van Loon, 25 september 1997. Glastra van
Loon verweet Gmelich Meijling dan ook dat hij zich buiten de procedure had gehouden.
[50] Defensie weigert eerherstel oud-werknemer, de Volkskrant, 5 september 1997, p. 8.
[51] Dit alles volgens getuigen van de zitting.
[52] Brief minister Defensie Voorhoeve, 15 augustus 1997 (P/9700391) aan drs. R. van Voren.
Brief staatssecretaris Frinking aan Vis en Glastra van Loon, 9 februari 1994 en brief staatssecreta-
ris Gmelich Meijling aan Glastra van Loon, 25 september 1997.
[53] Opdrachtbevestiging KPMG aan staatssecretaris Defensie Van Hoof, 16 maart 2000.
[54] Kamerstukken II, 26 200 X, nr. 36, p. 11.
[55] Brief prof.dr. Crombag, 17 juli 2007.
althans dat kon en behoorde hij te weten. Volgens
schriftelijke verklaring van ten minste een mi-
nister en een staatssecretaris werd wel degelijk
over schadevergoeding en eerherstel voor Spijkers
onderhandeld, al voor 1997. 52 Hij wist dat, omdat
de Landsadvocaat zelf namens Defensie onder-
handelde.
Het optreden van de Landsadvocaat jegens Spijkers
(en Glastra van Loon) was in strijd met de behoor-
lijkheid. Zou de Landsadvocaat gerede twijfel aan
de gesteldheid van Spijkers of aan de verklaring
van Glastra van Loon hebben gehad, dan moest hij
die wegens het belang van zijn cliënt vanzelfspre-
kend verwoorden. De beoordeling van de geestes-
gesteldheid van Spijkers was echter niet aan hem
en aangezien hij zelf namens Defensie met de ad-
vocaat van Spijkers onderhandelde, had de Lands-
advocaat geen grond de verklaring van Glastra van
Loon in twijfel te trekken.
Een advocaat mag geen onwaarheden verkondigen
en hij mag de rechten van derden niet schenden,
de Landsadvocaat heeft een gekwalificeerde ver-
antwoordelijkheid, omdat hij de Staat vertegen-
woordigt. De Landsadvocaat heeft onwaarheid ge-
sproken en dus het rechtszekerheidsbeginsel en
het gelijkheidsbeginsel geschonden: Spijkers
mocht verwachten dat de advocaat van de over-
heid geen onwaarheden zou verkondigen en zorg
en respect voor zijn persoon en rechten zou tonen.
Hij heeft niet alle relevante feiten en omstandighe-
den vergaard, althans de rechten en belangen van
Spijkers niet evenredig gewogen en hij is zodoende
niet tot een redelijke uitkomst gekomen.
KPMG
Media-aandacht voor de ontslagzaak tegen Spijkers
bracht aan het licht dat het ontslag verband hield
met de mijnongelukken uit 1983 en 1984 en hoe
Spijkers door gezagsdragers was bejegend sinds
1984. De Vaste Kamercommissie voor Defensie ver-
zocht de ombudsman een onderzoek naar de onge-
lukken uit 1983 en 1984 met de AP-23 landmijn in
te stellen, niet naar de bejegening van Spijkers.
Mevrouw Ovaa-Van den Broek verbond echter de
afronding van haar geschil met Defensie aan de
zaak Spijkers. 53 Staatssecretaris Van Hoof zegde
daarop aan de Vaste Kamercommissie een onaf-
hankelijk onderzoek toe. 54
Volgens overeenkomst tussen Ovaa-Van den Broek,
Spijkers en staatssecretaris Van Hoof werd een
commissie onder voorzitterschap van prof. Rood
ingesteld, die bindend advies zou uitbrengen. 55
Deze poging strandde en vervolgens werd KPMG in
2000 ingeschakeld om het onderzoek te doen.
KPMG schreef aan de opdrachtgevers (Ovaa-Van
14
OPENBAAR BESTUUR MAART 2008
20626-3_OB 0308.indd B14
19-02-2008 14:13:12
den Broek, Spijkers en Van Hoof) dat het noodzake-
lijk was de gehele toedracht van het geschil te on-
derzoeken en dus ook een oordeel te geven over de
dienstopdracht aan Spijkers en de bejegening van
Spijkers door het ministerie nadien. 56 In 2001 werd
de opdracht op instigatie van KPMG echter veran-
derd, men zou summier over het optreden van De-
fensie rapporteren. 57
Dat gebeurde in 2002. Van der Knaap was inmid-
dels staatssecretaris van Defensie. Zijn voorganger
Van Hoof verplichtte Defensie het rapport zonder
meer als bindend te beschouwen. Van der Knaap
weigerde echter het KPMG-advies te aanvaarden,
omdat KPMG het handelen van Defensiemedewer-
kers ten opzichte van Spijkers 'misleidend' noem-
de en die kwalificatie volgens de Van der Knaap
niet (voldoende) had onderbouwd. 58
Dat KPMG summier rapporteerde, was conform de
gewijzigde opdracht uit 2001. 59 Daarbij werd over-
eengekomen dat KPMG op een hoog abstractieni-
veau zou rapporteren en van detailonderzoek over
de gehele periode zou afzien, er zou een 'totaaloor-
deel' worden geformuleerd. De staatssecretaris
kwam dus op oneigenlijke gronden tot buitenge-
rechtelijke vernietiging van de clausule dat het
KPMG-rapport voor Defensie bindend was. Na een
motie van de Tweede Kamer accepteerde de staats-
secretaris het advies van KPMG alsnog en onderte-
kende hij een door KPMG opgestelde vaststellings-
overeenkomst. 60 Deze overeenkomst is ruim vijf
jaar later nog niet volledig uitgevoerd.
De advocaten
Op grond van de vaststellingsovereenkomst is de
Staat verplicht de vorderingen van sommige der-
den - ook van Spijkers' advocaten - te voldoen. 61
Daardoor kwam de onafhankelijkheid van de be-
trokken advocaten in het geding. De Staat kreeg
immers (financiële) greep op de juridische bijstand
aan Spijkers en het belang van de advocaten (beta-
ling) werd in de zaak betrokken. Defensie heeft in-
derdaad tot op heden geweigerd de advocaten te
betalen en dat was (mede) oorzaak dat Spijkers bij
verschillende gelegenheden van rechtsbijstand ver-
stoken bleef. De reden is dat de declaraties volgens
Defensie (volgens de Landsadvocaat) onvoldoende
zijn gespecificeerd. Kennelijk is de hoogte van de
declaratie niet het probleem. De vraag is of Defen-
sie hier misbruik maakt van de situatie, door de
advocaten niet conform de vaststellingsovereen-
komst te betalen. Dat zou immers een schending
opleveren van de plicht van de overheid om funda-
mentele rechten van burgers niet te schaden, doch
juist te waarborgen.
Administratieve rectificatie
De Staat was krachtens de vaststellingsovereen-
komst verplicht zorg te dragen voor administratie-
ve rectificatie van de dossiers over Spijkers. Die
moesten van negatieve kwalificaties waardoor Spij-
kers kon worden geschaad, worden geschoond. De-
fensie vroeg Deloitte in 2003 te onderzoeken hoe
De vraag is of Defensie hier misbruik
maakt van de situatie, door de
advocaten niet conform de vaststellings-
overeenkomst te betalen
de rectificatie moest plaatsvinden. 62 Deloitte advi-
seerde eind 2004 de 'collectie Spijkers' uit alle ar-
chieven van overheidsinstanties te halen en naar
een gesloten deel van het Nationaal Archief te ver-
plaatsen. Deloitte heeft dat advies uitgevoerd. 63 De
dossiers van Spijkers zijn bij ministeries, maar ook
bij het ABP en het UWV weggehaald (zelfs de CRvB
werd gevraagd de dossiers over Spijkers over te dra-
gen). 54
De verwijdering van zijn dossiers bij het UWV en
het ABP vergrootte de problemen die Spijkers had.
Spijkers heeft recht op wachtgeld, tenminste voor
de periode van 1 oktober 1993 tot 1 juli 2011. Hij
kreeg tot op heden niet uitbetaald door toedoen
van de RBB-artsen namens Defensie. 65 Zij achtten
Spijkers immers arbeidsongeschikt, contrair aan
een reeks adviezen van deskundigen. Defensie ont-
sloeg hem, doch meldde hem aan als arbeidsonge-
schikt. 66 Als gevolg daarvan weigerde het Arbeids-
bureau hem in te schrijven en kreeg hij niet de
uitkering waar hij recht op had. 67 Wegens het ont-
slag werd Spijkers wel uitgeschreven bij het ABP,
doch niet weer ingeschreven, omdat hij zich niet bij
het Arbeidsbureau kon inschrijven en niet de uitke-
ring kreeg waar hij recht op had. Dat veroorzaakte
ook problemen over zijn pensioenrechten.
De Staat (Defensie) heeft niet aan zijn verplichting
voldaan: er was geen rectificatie, de administraties
werden 'geleegd'. De Staat veroorzaakte zodoende
problemen met de uitkering en de pensioenrechten
van Spijkers, maar staatssecretaris van Defensie Van
der Knaap beweerde in het kader van het onderzoek
van de Ombudsman dat Spijkers de problemen met
zijn wachtgeld aan zichzelf te wijten had. 68
Ombudsman
Ombudsman Brenninkmeijer begon in 2005 uit ei-
gen beweging een bemiddelingspoging, omdat hij
[56] Opdrachtbevestiging
KPMG aan staatssecretaris
Defensie Van Hoof, 16
maart 2000.
[57] Brief KPMG aan Ovaa-
Van den Broek, Spijkers en
Defensie, 10 juli 2002.
58] Brief staatssecretaris
Defensie Van der Knaap aan
Tweede Kamer, 8 november
2002.
[59] Brief KPMG aan Ovaa-
Van den Broek, Spijkers en
Defensie, 10 juli 2002.
[60] Kamerstukken II
2002/03, 28 686, nr. 2.
[61] Vaststellingsovereen-
komst, art. 4 en 8.
[62] Brief Deloitte aan
Wagenaar (advocaat Spij-
kers), 22 december 2004.
[63] Nationale ombudsman,
rapport 2006/390, p.
49-51.
[64] Brief UWV aan Spijkers,
7 november 2005.
[65] Brief ABP aan Spijkers,
7 juni 1994. Brief UWV aan
Spijkers, 8 juni 2004. Natio-
nale ombudsman, rapport
2006/390, p. 60-61.
[66] RB Den Haag 4 oktober
1993, rolnr. AW93/839.
[67] Brief USZ0 aan Spij-
kers, 30 augustus 1996.
[68] Nationale ombudsman,
rapport 2006/390, p. 60.
OPENBAAR BESTUUR MAART 2008
15
20626-3_OB 0308.indd B15
19-02-2008 14:13:12
zich de zaak aantrok en een haperende uitvoering
van de vaststellingsovereenkomst signaleerde. 69
Die poging strandde na acht maanden, omdat De-
fensie niet op Spijkers' verzoek wilde erkennen dat
Brenninkmeijer's initiatief was
aanvechtbaar, ongeacht zijn oprechtheid
[69] Brieven ombudsman
Brenninkmeijer aan Spijkers
en Kamp, 20 oktober 2005.
[70] Brief Brenninkmeijer
aan Jongerius, 27 februari
2007.
[71] Nationale ombudsman,
rapport 2006/390, p. 3.
[72] Brief Brenninkmeijer
aan Jongerius, 27 februari
2007.
[73] Brief Koeleman aan
Brenninkmeijer, 20 februari
2006. Brief Koeleman aan
Schets, 16 december 2006.
Brief Koeleman aan Bren-
ninkmeijer, 28 december
2006 naar aanleiding van
rapport 2006/390.
[74] Brief Brenninkmeijer
aan Koeleman, 9 februari
2007 als reactie op brief
Koeleman aan Brennink-
meijer, 28 december 2006.
[75] Nationale ombudsman,
rapport 2006/390, p. 54.
[76] Brief Koeleman aan
ombudsman Brenninkmeijer,
20 februari 2006.
[77] Brieven 4 en 25 novem-
ber 2005 aan Brennink-
meijer.
[78] Brief 25 oktober 2005
(2005 09000 001).
[79] Reactie Brenninkmeijer
op kritiek Van Steenbergen,
bijlage bij zijn brief, 31 sep-
tember 2006 (20070944
U).
[80] In het eerdere rapport
over de landmijnaffaire
(1999/175) van Nationale
ombudsman Oostingwerd
Spijkers aangeduid als 'de
bedrijfsmaatschappelijk wer-
ker van Defensie'.
[81] Art. 9:36 lid 1 AWB
juncto art. 10 lid 2 sub g
AWB.
men bij de nakoming van de vaststellingsovereen-
komst ernstig tekort schoot. 70 Brenninkmeijer
startte een onderzoek en concludeerde dat Defen-
sie de vaststellingsovereenkomst behoorlijk had
uitgevoerd. 71
Brenninkmeijer's initiatief was aanvechtbaar,
ongeacht zijn oprechtheid. 72 Brenninkmeijer was
collega van vice-president Vermeulen bij de Cen-
trale Raad van Beroep toen de ontslagzaak tegen
Spijkers diende. Daarom was Brenninkmeijer
volgens de richtlijnen van de rechterlijke macht
als bemiddelaar en onderzoeker niet onpartijdig,
te meer gegeven het belang van de ontslagzaak in
de affaire en de twijfel aan de onpartijdigheid
van Vermeulen.
Spijkers en zijn advocaat klaagden over een gebrek
aan transparantie en aan hoor en wederhoor, 73
doch volgens Brenninkmeijer paste dat in het 'de-
juridiserende karakter van het bemiddelingspro-
ces', daarom zette hij afspraken niet op papier. 74
Transparantie en hoor en wederhoor zijn echter
formele behoorlijkheidseisen volgens de Behoor-
lijkheidswijzervan de ombudsman. Die eisen zijn
bij dejuridisering van groot belang, omdat proce-
durele waarborgen en controleerbaarheid (open-
baarheid) ontbreken. Dit klemt in dit geval temeer,
omdat de bemiddelaar een collega was van Ver-
meulen bij de CRvB en dat feit, volgens de richtlijn
onpartijdigheid van de rechterlijke macht, grond
voor verschoning is. De positie van de ombudsman
is in deze vergelijkbaar met die van een rechter.
De conclusie dat de vaststellingsovereenkomst be-
hoorlijk is uitgevoerd, is aanvechtbaar. Dat geldt
bijvoorbeeld voor de conclusie dat de rectificatie
inhoudelijk behoorlijk is verricht en dat met het
legen van dossiers over Spijkers 'recht wordt ge-
daan aan de bedoeling van de bepaling over de ad-
ministratieve rectificatie'. 75 De ombudsman wist
immers van Spijkers' problemen met zijn wacht-
geld en pensioenrechten. 76 De advocaat van Spij-
kers stuurde hem een niet-limitatieve opsomming
van zaken die Defensie urgent moest oplossen
(waaronder het wachtgeld en zijn pensioenrech-
ten). Brenninkmeijer noemde deze ook tevoren als
onderwerpen voor zijn onderzoek en hij heeft on-
derzoek gedaan naar de wachtgeldkwestie. Spij-
kers heeft sinds 1993 geen inkomen. Ook nadat
het ontslag van Spijkers finaal werd, merkte De-
fensie hem immers als arbeidsongeschikte aan.
Spijkers weigerde echter te tekenen voor een uitke-
ring wegens arbeidsongeschiktheid, omdat dit
valsheid in geschrifte zou opleveren: hij was niet
arbeidsongeschikt. Een voorlopige voorziening was
dus urgent. Uit brieven van Spijkers en zijn advo-
caat aan Brenninkmeijer blijkt dan ook dat herstel
van de wachtgeldregeling één van Spijkers' priori-
teiten was. 77 Brenninkmeijer stelde uitdrukkelijk
dat betaling van het wachtgeld (met name van
1 oktober 1996 tot juli 1998 en vanaf september
1998) mede onderwerp van onderzoek was. Achter-
afstelde hij dat, als Spijkers die kwesties belang-
rijk had gevonden, een voorlopige voorziening mo-
gelijk was geweest. 78 De ombudsman concludeerde
echter met de staatssecretaris van Defensie dat
Spijkers de problemen zelf had veroorzaakt, dat
lijkt zacht gezegd een onhoudbaar standpunt.
De Ombudsman toetste het gedrag van Defensie
slechts aan de behoorlijkheidseisen van voortva-
rendheid, actieve en adequate informatieverstrek-
king, rechtszekerheid en rechtvaardigheid. 79 In
zijn visie brengen deze eisen niet een toetsing aan
grondrechten mee. De vraag is waarom Brennink-
meijer beperkt toetste. De reden kon niet zijn dat
het onderzoek slechts de uitvoering van de vast-
stellingsovereenkomst betrof, want deze was de
uitkomst van een lijdensweg van 23 jaar en moest
in dat licht worden geïnterpreteerd.
Het was bij uitstek de taak van de ombudsman het
dubieuze optreden van gezagsdragers aan alle be-
hoorlijkheidseisen te toetsen. Brenninkmeijer be-
weerde dan ook dat hij wel aan alle behoorlijk-
heidsnormen had getoetst, doch dat hij in zijn
rapport slechts de meest toepasselijke criteria had
gebruikt en niet meer dan één norm tegelijk had
genoemd. De behoorlijkheidsgebreken in de zaak
Spijkers zouden vooral in de informatievoorzie-
ning hebben gezeten. De beginselen van gelijk-
heid, rechtvaardigheid, rechtszekerheid en be-
scherming van individuele rechten lijken echter
ook gerede kandidaten voor 'toepasselijke criteria'.
Het rapport van de ombudsman is niet geanonimi-
seerd, waar het Spijkers betreft. 80 Dat is in strijd
met de norm en met Spijkers' privacy. 81 De norm
luidt: 'Het verstrekken van informatie [in verband
met het rapport] blijft achterwege voor zover het
belang daarvan niet opweegt tegen het voorkomen
16
OPENBAAR BESTUUR MAART 2008
20626-3_OB 0308.indd B16
19-02-2008 14:13:12
van onevenredige benadeling van bij de aangele-
genheid betrokken natuurlijke personen.'
De Ombudsman concludeert ten gunste van Defen-
sie dat de overeenkomst goed is uitgevoerd en
spreekt van 'de voortgezette strijd van de heer Spij-
kers' alsof hij een keuze heeft: zijn wachtgeld is
sinds 1993 niet betaald, zijn pensioenrechten zijn
niet geregeld, zijn dossiers bij UWV en ABP zijn
verdwenen, zijn vertrouwensarts en advocaten zijn
niet betaald en de Belastingdienst legt Spijkers een
aanslag op, terwijl Defensie die belastingen inge-
volge artikel 6 van de Vaststellingsovereenkomst
zou betalen. De betaling hangt op een meningsver-
schil tussen Defensie en Financiën over de vraag of
de schadevergoeding voor Spijkers als inkomen
moet worden beschouwd. Om die reden valt de
Belastingdienst Spijkers lastig met vorderingen en
Defensie doet blijkbaar niets. De Ombudsman liet
na Spijkers ook al in verband met deze proble-
men 82 te beschermen tegen gezagsdragers en de
Staat die ruim twintig jaar zijn leven en de uitoefe-
ning van zijn rechten onmogelijk maakten.
Onrechtvaardig, slecht of kwaadaardig?
We hebben het gedrag van gezagsdragers getoetst
aan eisen van redelijkheid die voortvloeien uit vrij-
willig aanvaarde functies. Daar voldeed het niet
aan. De eisen zijn ondergeschikt aan die van recht-
vaardigheid en de onvoorwaardelijke natuurlijke
plichten die daaruit voortvloeien: positieve plich-
ten om rechtvaardigheid te dienen en te bestendi-
gen, een wederkerige plicht om hulp te bieden en
respect te tonen en negatieve plichten om onschul-
digen niet in hun persoon te schaden en ook overi-
gens geen schade te berokkenen. Men mag geen
onrecht begaan, ongeacht verplichtingen uit hoof-
de van een functie. Gezagsdragers kunnen zich
dus niet op politieke of ambtelijke verplichtingen
beroepen ter rechtvaardiging van het onrecht dat
zij jegens Spijkers begingen, laat staan van misdrij-
ven die men misschien pleegde.
Sommige gezagsdragers en politiek verantwoorde-
lijken hebben hun natuurlijke plichten ten opzich-
te van Spijkers op een reeks van manieren grof
geschonden, onder wie ministers en staatssecreta-
rissen van Defensie en Binnenlandse Zaken van
1984 tot heden. Zij zijn immers mede verantwoor-
delijk voor alle (ambts)misdrijven en de schendin-
gen van behoorlijkheidscriteria door overheids-
dienaren die hiervoor aan de orde waren. Dat
geldt ook voor staatssecretaris Van Hoof, al past bij
zijn optreden de kanttekening dat hij via de instel-
ling van de commissie Rood, de inschakeling van
KPMG en via zijn persoonlijke contact met Ovaa-
Van den Broek en Spijkers serieuze pogingen heeft
gedaan de zaak zo goed mogelijk uit de wereld te
helpen. Het zou de moeite waard zijn het optreden
van alle betrokken politici en detail aan alle be-
hoorlijkheidsmaatstaven te toetsen: hun optreden
moet precies zo worden gediskwalificeerd als dat
van de gezagsdragers, zij hebben al dan niet in
commissie eveneens vrijwel alle behoorlijkheids-
maatstaven geschonden.
Het was bij uitstek de taak van
de ombudsman het dubieuze optreden
van gezagsdragers aan alle
behoorlijkheidseisen te toetsen
Spijkers' gewetensvolle weigering strookt met de
natuurlijke plicht tot rechtvaardigheid: gehoor-
zaamheid zou onrecht zijn geweest en weigering
was onvoorwaardelijke plicht en een kwestie van
morele moed en waardigheid. 83 Gezagsdragers en
politiek verantwoordelijken hadden als vertegen-
woordigers van onze rechtsstaat hem om die reden
moeten prijzen. Dat deden zij niet (uit eigen
beweging 84 ). Van der Knaap erkende in zijn eerder-
genoemde brief aan Spijkers ten lange leste 'in
alle oprechtheid' dat ernstig onrecht tegen Spij-
kers was begaan, maar het concept voor die brief
kwam uit de koker van KPMG en de uitvoering
van de Vaststellingsovereenkomst door Defensie
is niet met die beweerde oprechtheid in overeen-
stemming.
Het zou de moeite waard zijn het optreden
van alle betrokken politici en detail aan alle
behoorlijkheidsmaatstaven te toetsen
Daarom ontbreekt het de betrokken gezagsdragers
aan morele moed en waardigheid. Gebrek aan mo-
rele waardigheid kent gradaties: onrechtvaardig-
heid, slechtheid, kwaadaardigheid. 85 'Onrechtvaar-
dig' is het slechte doen met op zich legitieme
doelen. 'Slecht' is arbitrair gebruik van macht of
bevoegdheid. 'Kwaadaardig' is streven naar het
slechte op zich of onverschilligheid over onrecht.
De onthutsende conclusie is dat sommige hoofd-
rolspelers namens de (rechts)staat niet eens 'on-
rechtvaardig' waren, maar erger, omdat zij geen
rechtmatige doelen nastreefden. Ze hebben rechts-
[82] Brief 25 oktober 2005
(2005 09000 001).
[83] Over de rechtvaardiging
van gewetensvolle weigering
zie Rawls, p. 323-326.
[84] Brief van Van der
Knaap aan Spijkers d.d. 29
november 2002.
[85] J. Rawls, A Theory of
Justice, 1999, p. 385.
OPENBAAR BESTUUR MAART 2008
17
20626-3_OB 0308.indd B17
19-02-2008 14:13:13
statelijke middelen 23 jaar lang gebruikt om on-
recht te begaan en zijn dus 'slecht' of zelfs 'kwaad-
aardig' wegens de klaarblijkelijke onverschillig-
heid over dat onrecht.
Bedreiging rechtsstaat
Ministers, staatssecretarissen en hun onderge-
schikten hebben Spijkers het leven en de uitoefe-
ning van zijn rechten gedurende 23 jaar onmoge-
lijk gemaakt, omdat hij onrecht aan de kaak
stelde. Zij waren geen hoeders van rechtvaardig-
heid en van de rechtsstaat, integendeel, ze ge-
bruikten de bevoegdheden die hen ten dienste
stonden om de rechten van een burger met voeten
te treden. 86
De minister-president kan en mag zich niet
als een innocent bystander opstellen
[86] H.A. Couzy in interview
met Th. Broer, Vrij Nederland
2007 nummer 14.
[87] Verzoek Deloitte
namens Defensie aan
bestuur Centrale Raad van
Beroep om dossier Spijkers
door drs. P Hofstra RO CIA,
14 februari 2005, L.Hage
RO kenmerk PH/ssa/05-
071.
[88] Brief minister-president
mr.dr.J.P Balkenende, 6 april
2005 aan vertrouwensarts
van Spijkers, L.A. Beth.
[89] G.E. van der Wulp,
directeur-generaal Rijksvoor-
lichtingsdienst, in brief
namens minister-president,
2 augustus 2007
(3222574).
Volgens generaal b.d. Couzy is deze gang van zaken
bij Defensie min of meer normaal. Couzy: 'Bij de
krijgsmacht heerst een cultuur van het zwijgen.
Bij Defensie vindt men nog steeds dat er geen fou-
ten kunnen worden gemaakt. Als je de vuile was
buiten hangt, krijg je er onmiddellijk van langs.
Zodra een militair meldt dat er iets is misgegaan,
gaat zijn baas wild om zich heen slaan. Dat is be-
paald geen aanmoediging voor openheid.'
Om tot de conclusie te komen dat de rechten van
Spijkers op vele manieren grof zijn geschonden,
hoeft men slechts de relevante documenten te
raadplegen en rechtsstatelijke eisen serieus te ne-
men. 87 Hoewel, ook het raadplegen van documen-
ten probeert de overheid in de persoon van Van
der Knaap zoveel mogelijk te voorkomen door de
archieven niet te schonen van misplaatste diskwa-
lificaties over Spijkers (zoals de Vaststellingsover-
eenkomst voorschrijft), maar de dossiers te legen
en een poging te doen het archief over de zaak
Spijkers bij de Centrale Raad van Beroep te verwij-
deren. Het is niet duidelijk of dat is gelukt. Mocht
dat het geval zijn, dan wordt Spijkers belemmerd
in de uitoefening van zijn recht om herziening
van de uitspraak van de Raad uit 1997 te vragen.
Bovendien, ook de dossiers bij het UWV en het ABP
zijn verdwenen met alle gevolgen van dien voor
zijn inkomen (uitkering) en zijn pensioen.
Onze minister-president antwoordde op Spijkers'
verzoek om hulp met 'ik kan niets voor u doen',
al begreep hij wel dat zijn antwoord voor Spijkers
'niet geheel bevredigend' zou zijn. 88
Naschrift
'Er zijn toereikende procedures op grond van de
bestaande regelgeving voor aangelegenheden als
deze. De minister-president, minister van Algeme-
ne Zaken, heeft daarbij geen bevoegdheden.'
schreef G.E. van der Wulp namens de minister-
president in een reactie op dit artikel. 89 Hij meen-
de dat het citaat van de minister-president een al
te prominente plaats in dit artikel kreeg, omdat de
inhoud van het artikel op andere gezagsdragers is
gericht. De zaak viel onder de verantwoordelijk-
heid van het ministerie van Defensie. Bovendien
onthoudt de minister-president zich steevast van
een oordeel over zaken die aan het oordeel van de
rechter onderworpen zijn (geweest) in verband met
het belang dat hij aan de onafhankelijkheid van de
rechterlijke macht hecht, zo besloot Van der Wulp.
Daarover het volgende. De minister-president
draagt toch zeker samen met de overige ministers
en de staatssecretarissen de verantwoordelijkheid
voor de rechtsstaat, voor de bescherming van bur-
gers en voor het optreden van de staat ten opzichte
van burgers, ook in het verleden. Daarmee heeft
de prominente plaats van het citaat van doen, niet
met een verzoek te treden in een rechterlijk oor-
deel. De geschiedenis van Spijkers moest leiden tot
coulance; de minister-president kan en mag zich
niet als een innocent bystander opstellen, hij kan en
mag zich niet achter andere gezagsdragers ver-
schuilen.
Op 18 september 2007 stelde Kamerlid Van Raak
vragen aan de minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties, onder meer of de minster
bekend was dat klokkenluiders als gevolg van hun
melding in financiële moeilijkheden kunnen ko-
men. De minister antwoordde dat klokkenluiders
die te goeder trouw een melding doen, geen
rechtspositionele nadelen mogen ondervinden.
De minister meent dat de rechtsbescherming van
ambtenaren 'die op deze wijze actief invulling ge-
ven aan het goed ambtenaarschap' is opgenomen
in de Ambtenarenwet, de Militaire Ambtenaren-
wet 1931 en de Politiewet 1993. Op 23 januari 2008
kwam het bericht dat een ambtenaar van Justitie
vijfjaar zonder functie zat, omdat hij in 2003 mis-
standen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven
aan het licht had gebracht. Het ministerie werkte
hem regelrecht tegen bij sollicitaties, zodat hij 65
keer werd afgewezen, hij kreeg bovendien een ver-
bod van Justitie om bezwaar tegen de afwijzingen
te maken.
18
OPENBAAR BESTUUR MAART 2008
20626-3_OB 0308.indd B18
19-02-2008 14:13:13